Sleutels

Ineens sta ik hier weer. Ik kijk naar boven, naar het raam van waaruit jij je sleutels naar beneden gooide, zodat je niet drie trappen af hoefde om mij binnen te laten. Eenmaal bij jou legde ik de sleutelbos op de tafel die ongeveer een derde van je piepkleine kamertje besloeg. Tegen de achterwand, ingeklemd tussen twee zijmuren, stond je eenpersoonsbed met spiraalbodem. Een bodem die zo ver doorzakte dat hij als een hangmat tussen hoofd- en voeteneinde inhing als we er met z’n tweeën in waren gekropen. Bij iedere beweging kraakten de spiralen, zongen dan nog wat na, om ons gewoel te benadrukken. Het lijkt nog maar zo kort geleden dat jouw lichaam in dat bed zwetend langs het mijne schuurde. Toch lig jij al jaren in een smalle kist, begraven in de koude grond van een land hier ver vandaan.

Ik hoorde van iemand anders dat je ziek was, jij wilde er niet over praten. Ook al klonk het ernstig, er was niets aan de hand, dit was gewoon een duivelsverzoeking. Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen, ik geloofde al een tijdje niet meer in de duivel. Jij vertrok, vond iemand anders om bij in bed te liggen, verhuisde naar het buitenland, wilde daar opnieuw beginnen. Toen de tumor je hart stopte, viel je met je voorhoofd op de bijbel die je aan het lezen was. Het kaft liet een rode plek op je hoofdhuid achter.

Voordat je verhuisde, kwam je hier nog wat spullen ophalen. Over je waterige kuchje, je zware ademhaling zei je dat je verkouden was. Je wilde niet terugdenken aan de zingende spiralen, aan je miniscule kamertje, aan de sleutels die ik nooit durfde op te vangen en dus altijd op de stoep liet vallen. Je wilde verder, kijken naar wat komen ging en niet naar wat al was geweest. ‘Bovendien,’ zei je, ‘ik kom nog wel eens terug.’

Je kwam niet terug. Je ‘moi’ toen je de voordeur uit liep, is het enige afscheid dat ik van je kreeg. Ik probeer daar niet boos over te zijn. Het was immers jouw leven en ieder vult het einde op zijn eigen manier in. Ook als je doet alsof er überhaupt geen einde is. Het doet er niet toe dat ik je nog had willen vragen, je had willen zeggen, had willen vertellen. Want jij wilde door.

Het kozijn van je raam heeft nog steeds dezelfde kleur, en heel even wil ik aanbellen en wachten tot je het raam opendoet en van boven op mij neerkijkt.

‘Wat?’ vraag je.

‘Oh. Niks.’ 

‘Waarom bel je dan aan?’

‘Ik wilde gewoon nog even praten.’

Geërgerd zou je dan toch je sleutels naar beneden gooien, die ik op de stoep zou laten vallen.

Ik tuur naar de tegels onder mijn voeten en raap een steentje op. Ik zwaai mijn arm naar achteren, verzet mijn rechterbeen om nog meer kracht te kunnen zetten. Het steentje moet je raam raken, de ruit laten barsten. Ik gooi zo hard als ik kan.

Ik mis.

2 gedachten over “Sleutels

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s