31-07-2020 (Dag vijf)

Ik wil roken. Zeker vijftien jaar geleden rookte ik mijn laatste sigaret. En nu zit ik hier, buiten onder de luifel van de camper, op een enorm vakantiepark, te luisteren naar de dreunende bastonen van de kinderdisco op het strand, en achter me de bulderende lach van de dikke Duitser die intussen zijn negende halve-liter-blik bier heeft open getrokken. En ik wil roken. Ik wil de kruidig geurende, bruine plukken tabak zorgvuldig lostrekken en evenredig verdelen over het rechthoekige vloeipapiertje, met mijn wijsvingers aanduwen en tussen middelvingers en duimen een rolletje draaien. Dan met het puntje van mijn tong het plakrandje vochtig maken en het papier dichtplakken. Ik verlang naar mijn hand beschermend om het flakkerende vlammetje van de aansteker, die eerste, extra stevige hijs, om het vuur in de sigaret te trekken, het oranje smeulende uiteinde, dat bij iedere trek oplicht, langzaam het witte kokertje wegbrandend. De scherpe rook waardoor mijn longen samentrekken, en waarvan ik licht in mijn hoofd word. Het in de verte naar niets zitten te staren, zonder dat iemand bezorgd met een hand voor mijn ogen wappert en om mijn aandacht joehoet. Want als je rookt kijk je daarbij peinzend in het oneindige, dat weet iedereen.

Ik ben niet per ongeluk gaan roken, ik wilde gaan roken. Geen sigaretten, maar shag. De onverstoorbare kalmte waarmee ik shagrokers hun tabak uit tas of borstzak zag halen en waarmee ze vervolgens beheerst een sigaretje draaiden, om deze daarna kijkend naar de horizon op te roken, had op mij een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Deze rokers wisten, in tegenstelling tot de zenuwachtig giechelende malbororokers, precies wat ze deden. Ze waren alleen omdat ze ervoor kozen, wat de buitenwereld over hen dacht deerde hen niet en ze dachten overduidelijk zelf over het leven na, zonder lukraak na te doen wat iedereen al deed.

Dus toen ik op straat een nog vol pakje zware Drum vond, kocht ik van mijn zakgeld twee pakjes vloei en ben op mijn kamer een hele middag sjekkies gaan draaien. De eerste tien gebobbeld en met scheuren in het vloeitje, daarna had ik de smaak te pakken. Het ene na het andere perfecte sigaretje draaide ik, net zolang totdat de shag op was. Ik rookte ze niet op, de klap op mijn brandschone longen zou zo groot zijn geweest dat me dat voorgoed van willen roken genezen zou hebben. En dat was dus niet het plan.

Ik pak een biertje. Een flesje speciaal bier zegt weliswaar niet op dezelfde manier “genieten” als een treetje halve liters, zo heb ik ten minste wat te doen. Onze camper staat aan de looproute naar het strand, zodat iedereen die langs loopt mij hier ziet zitten.

Het vakantiepark is rondom een zwemmeer gebouwd, veldjes vol caravans, luxe vakantiewoningen, glampingplekken speciaal voor eenoudergezinnen zijn eromheen geplaatst, zodat iedere gast zich op loopafstand van het meer bevindt. Direct naast het meer vind je foodtrucks, een binnenzwembad voor de koude dagen, een bistro, een beachbar en een supermarkt zodat je gedurende je hele verblijf hier nooit het terrein af hoeft om in je levensbehoeften te voorzien. Voor de koude en regenachtige dagen is er een binnenzwembad en een binnenspeeltuin zodat je je ook al nooit hoeft te vervelen.

Vandaag gingen Zoon en ik naar het meer. Terwijl hij het water in rende, keek ik om mee heen, op zoek naar een plekje waar ik een beetje lekker kon zitten. Naast dat donkerharige meisje dat verliefd naar haar langharige en getatoeëerde vriend lag te kijken? Oh nee, wacht, het bleef niet bij kijken alleen. Zo werd het nogal ongemakkelijk om ernaast te liggen. Op het beetje strand voor dat grote gezelschap dat van die handige matjes met opvouwbare rugleuning had meegenomen? Naast de man met zijn roodverbrande buik lag een vrouw te lezen. Plotseling stond de man op en begin in de verte te schreeuwen en te lachen. De vrouw keek op van haar boek, joelde en lachte ongegeneerd mee. Ik tegen Zoon dat ik een eind verderop onder de bomen een plekje ging zoeken. Hij knikte ongeduldig, had intussen een speelkameraadje gevonden en wilde zo min mogelijk tijd verliezen aan praten met mij. Onder de bomen lag een groot picknickkleed. Een meisje van een jaar of tien, lang bruin haar en donkere ogen keek peinzend voor zich uit. In haar hand had ze een schrijfblok, naast zich een etui met pennen en stiften, waarmee ze op het schrijfblok schreef. Ik legde mijn handdoek twee meter verder in het gras neer.

In de camper ligt Zoon nu rozig en moe gespeeld te slapen. Ik kijk naar de voorbijlopende vakantieparkgasten, drink mijn bier. Ik zoek op mijn telefoon naar een playlist van Leonard Cohen. Ietsje beter.

Het enige wat mist is een zelfgedraaide sigaret.

2 gedachten over “31-07-2020 (Dag vijf)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s